My Liantis

Sociaal statuut 03 augustus 2022

Bepaalde meewerkende echtgenoten krijgen ook recht op minimumpensioen

Een aantal meewerkende echtgenoten was door een wetswijziging in 2005 verzeild in een vreemde situatie waarbij de betaalde sociale bijdragen de facto geen eigen persoonlijke pensioenrechten opleveren. Om dit probleem op te lossen, zal de regering tegen 1 januari 2023 een laattijdige overgangsmaatregel invoeren. Zo zullen meewerkende echtgenoten geboren tussen 1 januari 1956 en 31 mei 1968 en aan alle voorwaarden voldoen, in de toekomst ook recht hebben op een minimumpensioen.

Waar gaat het over?

Tot 2003 konden meewerkende echtgenoten geen sociale bijdragen betalen en dus géén eigen sociale rechten (bv. voor het pensioen) opbouwen. Daarom werd in 2003 een specifiek statuut voor meewerkende echtgenoten, het maxistatuut, ingevoerd, zodat ze sindsdien eigen rechten kunnen opbouwen. Men had aanvankelijk de keuze tussen een beperkte verzekering, het “ministatuut”, en een meer uitgebreide sociale bescherming, “het maxistatuut”. Tot 30 juni 2005 was het ministatuut verplicht voor alle meewerkende echtgenoten en het maxistatuut een vrijwillig statuut. Sinds 1 juli 2005 is de aansluiting en de bijdragebetaling verplicht onder het maxistatuut.

Ook al bouwen meewerkende echtgenoten sinds 2003 eigen pensioenrechten op, toch genieten ze niet altijd een eigen pensioen wanneer ze met pensioen gaan. Want vaak blijkt het gezinspensioen van de echtgenoot voordeliger omdat ze geen recht hebben op een minimumpensioen. En ze hebben geen recht op het minimumpensioen, omdat ze geen pensioenloopbaan van minstens 30 jaar kunnen aantonen.

Meewerkende echtgenoten zitten dus in een bijzondere situatie gevangen: voor 2003 mochten ze geen sociale bijdragen betalen terwijl ze vaak al jaren werkten, vandaag moeten ze sociale bijdragen betalen, en uiteindelijk genieten ze geen eigen pensioen omdat ze nooit lang genoeg bijdragen kunnen betalen om tegen de wettelijke pensioenleeftijd recht te hebben op een minimumpensioen.

Om dit probleem op te lossen, zal de regering tegen 1 januari 2023 een laattijdige overgangsmaatregel invoeren, zodat ook meewerkende echtgenoten die vanaf 2005 verplicht werden bijdragen te betalen een minimumpensioen kunnen genieten.

Voorwaarden

Voor wie?

  1. De maatregel zou gelden voor meewerkende echtgenoten die vanaf 1 januari 2023 met pensioen gaan.
  2. De meewerkende echtgenoten moeten ten laatste op 1 juli 2005 aangesloten zijn in het maxi-statuut. Dit betekent dat ze minstens één kwartaal bijdragen in het maxi-statuut betaald moet hebben tussen 1 januari 2003 en 30 september 2005.
  3. Alleen meewerkende echtgenoten geboren tussen 1 januari 1956 en 31 mei 1968 zullen van de maatregel kunnen genieten. Waarom? 

    A. Wie voor 1956 is geboren, was niet verplicht om volwaardige bijdragen te betalen, juist omdat ze niet veel pensioenrechten meer konden opbouwen. 

    B. 
    Wie vanaf 1 juni 1968 is geboren, kan tussen 1 juli 2005 en de wettelijke pensioenleeftijd 30 jaar loopbaan opbouwen. De gewone regels volstaan dus om een minimumpensioen te genieten.

Voldoende loopbaan aantonen

De meewerkende echtgenoten geboren tussen 1956 en mei 1968, die op 1 juli 2005 aangesloten waren in het maxi-statuut en vanaf 1 januari 2023 met pensioen gaan, hebben niet automatisch recht op een minimumpensioen. Ze moeten ook voldoende lang ‘gewerkt’ hebben als zelfstandige (bijdragebetaling of een gelijkstelling), eventueel in combinatie met een loopbaan als werknemer.

Normaal moet je minstens 30 jaar gewerkt hebben om een minimumpensioen te genieten. Die 30 jaar komt overeen met twee derde van een volledige loopbaan van 45 jaar.

Voor de meewerkende echtgenoten in de doelgroep, geldt die voorwaarde van twee derde loopbaan ook. Maar in plaats van twee derde van 45 jaar, moeten ze twee derde van een individuele referentieperiode kunnen aantonen. Die referentieperiode is even lang als de periode tussen:

  1. 1 januari 2003, de datum waarop het statuut van meewerkende echtgenoot ingevoerd werd
  2. En de pensioendatum, dit is het moment waarop de meewerkende echtgenoot de wettelijke pensioenleeftijd van 65, 66 of 67 jaar bereikt.

Enkel de loopbaan als zelfstandige of als werknemer gelegen tussen deze twee data komt in aanmerking voor de controle van de loopbaanvoorwaarde van twee derde van de referentieloopbaan. Zodra er recht is op een minimumpensioen wordt voor de daadwerkelijke berekening van het minimumpensioen rekening gehouden met de volledige loopbaan als zelfstandige en als werknemer.

Wanneer van kracht

Het principe werd door de ministerraad goedgekeurd, maar de wettekst moet nog verder worden uitgewerkt. De regering plant tegen 1 januari 2023 deze overgangsmaatregel in te voeren.