My Liantis

Verloning personeel 10 juni 2021

Ontwerpakkoord sociale partners 2021-2022

Omdat de sociale partners het niet eens geraakten over de loonnorm voor de periode 2021-2022, hakte de regering de knoop door: een loonmarge van 0,4%, de automatische loonindexering van 2,85% en een mogelijke coronapremie. De regering De Croo zou deze norm vastleggen, indien de sociale partners zelf nog een compromis bereikten over 4 grote sociale thema's. Dat doel bereikten ze op 8 juni 2021. 

We zetten de vier thema’s uit het afsprakenkader voor jou op een rijtje.

1. Verhoging minimumlonen

Het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI) zal in vier fases verhogen. Er is voortaan ook enkel nog een GGMMI voor de leeftijd van achttien jaar. Voor negentien- en twintigjarigen is geen apart GGMMI meer voorzien.

Fase 1: Het brutominimumloon voor achttienjarigen verhoogt vanaf 1 april 2022 met 76,28 euro. Het brutominimumloon komt daarmee op 1.702 euro.

Het is de bedoeling dat de overheid de meerkosten voor de werkgevers compenseert, via de werkbonus voor de werknemers en de lageloongrens voor de werkgever. Dat laatste is via de techniek van de structurele vermindering.

Fase 2 en 3: Fase 2 gaat in op 1 april 2024, fase 3 op 1 april 2026. Er komt dan telkens 35 euro bruto per maand bij het GGMMI. De werkgevers betalen de verhoging deels via de loonnorm die dan zal gelden. De meerkosten blijven voor de overheid. Door een fiscale hervorming zou de werknemer zelfs 50 euro netto meer moeten overhouden.

Fase 4: Deze fase is nog onder voorbehoud. Er zal naar de evolutie in de buurlanden worden gekeken om uit te maken of er marge is. Bij meerkosten verwachten de werkgevers een compensatie.

2. Aanvullende pensioenen

De aanvullende pensioenen voor arbeiders en bedienen moesten tegen 2025 geharmoniseerd zijn. Die datum verschuift naar 2030. De sectorale cao’s kunnen nog tot 2027 worden gesloten. Die datum stond eerst op 2023.

De sociale partners ijveren ervoor om tijdens de komende IPA-periodes verdere inspanningen te leveren om die harmonisering te bereiken. Aan werkgeverszijde wil men in de toekomst minstens 0,1% van de loonnorm hiervoor gebruiken, en dat tot 2028.

De sociale partners ijveren ervoor om dit verder op te nemen tijdens de IPA-periode. Aan werkgeverszijde willen ze bij de volgende IPA’s minstens 0,1% van de loonnorm hiervoor gebruiken en dat tot 2028.

Ze vragen ook meer rechtszekerheid de komende jaren, door bijvoorbeeld de huidige regels over de fiscale aftrekbaarheid niet te wijzigen.

De werknemer behoudt de vrije keuze tussen rente of kapitaal.

3. Flexibiliteit

Dit thema bestaat uit drie onderdelen:

  • ‘Relance’-overuren: Het systeem van de ‘corona-overuren’ wordt onder een nieuwe naam verlengd tot 31 december 2022 en zal voor alle sectoren gelden. Zowel dit jaar als in 2022 zijn nog 120 goedkope overuren mogelijk. Als werkgever betaal je geen toeslag op de overuren én het loon is vrijgesteld van bedrijfsvoorheffing en RSZ-bijdragen.

Let wel op: de corona-overuren die in 2021 al door de essentiële sectoren gebruikt zijn, worden aangerekend op het totaal van 120 ‘relance’-overuren voor dit jaar.

  • Fiscaal gunstregime overuren: De sociale partners vragen de regering om de verhoging naar 180 fiscaalvriendelijke overuren die van toepassing was in 2019 en 2020, opnieuw in te voeren tot 30 juni 2023. De uitbreiding zou dan ook weer tellen voor alle sectoren.
  • Economische werkloosheid voor bedienden: NAR-cao nr. 148, die een vereenvoudigd systeem voor economische werkloosheid voor bedienden voorziet, wordt verlengd tot 30 juni 2023. Bedrijven kunnen daardoor ook zonder sectorale of ondernemings-cao en zonder ondernemingsplan een beroep doen op economische werkloosheid. Uiteraard moet je als werkgever wel voldoende bewijzen kunnen voorleggen over de vereiste omzet- of productiedaling en de opleidingsverplichting voor de werknemers.

Opmerking: zolang het versoepelde systeem van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht (corona) nog geldt (momenteel verlengd tot 30 september 2021), is er geen nood aan dit systeem van economische werkloosheid voor bedienden. 

4. Eindeloopbaan

Het SWT-systeem blijft zo goed als ongewijzigd. De leeftijdsverlaging tot 58 jaar voor bedrijven in herstructurering en voor zware beroepen komt er niet. De socialistische vakbond was daarvoor vragende partij. De minimumleeftijd voor SWT wordt zoals gepland 60 jaar en voor het SWT om medische redenen blijft een lagere leeftijd gelden, namelijk 58 jaar.

Aan de landingsbanen wordt wel licht gesleuteld. Voortaan kunnen werknemers halftijds werken vanaf 55 jaar, mits een loopbaan van 35 jaar, tewerkstelling in een zwaar beroep of 20 jaar nachtarbeid. Dat is twee jaar vroeger dan nu het geval is en ze ontvangen een uitkering. Dezelfde categorieën van werknemers kunnen hun tewerkstelling ook verminderen met een vijfde. Dat was ook de voorbije jaren al mogelijk vanaf de leeftijd van 55 jaar.

Werknemers in ondernemingen in herstructurering of in moeilijkheden vallen nu ook onder het algemene systeem van aangepaste beschikbaarheid bij SWT. Dat geldt vanaf 62 jaar of na 42 jaar beroepservaring.

Verlenging dossiers

Ten slotte zijn er nog een aantal dossiers die (opnieuw) worden verlengd:

  1. werkgeversbijdrage van 0,10% voor risicogroepen;
  2. innovatiepremie;
  3. vrijstelling startbaanverplichting bij sectorale werkgeversbijdrage (0,15% voor risicogroepen);
  4. derdebetalerssyteem woon-werkverkeer openbaar vervoer;
  5. boete van 1.800 euro voor het niet-aanbieden van outplacementbegeleiding.